Lees meer
over dit object uit onze verzameling
Nutricia kinderboekjes 1963-1965

Aan het Zeeuws Genootschap werd kortgeleden een schenking gedaan van dertien reclame-kinderboekjes van Nutricia uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Deze zuivelfabriek werd in 1901 opgericht. De naam ‘Nutricia’ is afgeleid van het Latijnse woord voor voeden: ‘nutrire’. Aanleiding vormde de door Alexander Backhaus, een professor uit Duitsland, ontwikkelde voeding (1894) met een samenstelling die geschikt was voor baby’s. Pasgeboren baby’s die geen borstvoeding kregen, konden hierdoor toch gevoed worden. Op een internationaal congres dat in 1896 gehouden werd in Berlijn sprak Backhaus over zijn uitvinding. In het publiek bevonden zich de Nederlandse arts en inspecteur van de Nederlandse Volksgezondheid Martinus van der Hagen en zijn broer, een ondernemer en eigenaar van een margarine-en zuivelfabriek. Zij zagen door dit product een nieuwe toekomst voor de zuivelfabriek en zochten de professor op. Hij verleende aan de broers de rechten om de eerste flesvoeding te produceren en het bedrijf kreeg de naam ‘Nutricia’. Door de expertise van Backhaus won het al snel het vertrouwen van de bevolking. Door deze ondersteuning van moeders en hun kinderen ontstond er een cultuur van zorg en service die Van der Hagen verder uitbouwde door winkels in grote steden en provinciesteden te openen die de voeding van Nutricia dichter bij de mensen bracht.[1]

Medisch-pedagogisch zorg voor het jonge kind
In datzelfde jaar werd het eerste Consultatiebureau voor Zuigelingen geopend in Den Haag, bedoeld om de zuigelingensterfte een halt toe te roepen. Deze daalde wel sinds 1870 maar, zo meende de initiatiefnemer de huisarts B.P.B. Plantinga, het kon beter.[2] Hij startte belangeloos een spreekuur voor moeders met zuigelingen. Het bureau werd direct een succes, dat kwam omdat hij aan zijn polikliniek een melkkeuken had verbonden waar hij met behulp van een voor die tijd modern Soxhlet-toestel steriele verdunde koemelk voor baby’s bereidde, voor moeders die zelf onvoldoende zog hadden. Sinds de opening van Plantinga’s bureau liep de babysterfte in het eerste levensjaar terug. De bureaus waren hier niet alleen verantwoordelijk voor. In de loop van de tijd verbeterde de levensstandaard in zijn geheel aanmerkelijk. Niettemin vormden de consultatiebureaus de spil in de zorg voor de gezondheid van de zuigeling. Voorlichting en preventie bleven essentieel. Door de komst van de kunstvoeding verdwenen vanaf de jaren dertig de melkkeukens.[3]

De reclameboekjes
In de jaren zestig waren de boekjes een succes en ze zijn dit nu nog steeds. Zo vind je op Marktplaats bijvoorbeeld regelmatig boekjes aangeboden. Wat maakt dat deze leuke boekjes, waar je met spaarpunten die op de flessen koffiemelk van Nutricia zaten en bijeengespaard konden worden van 1963 tot ongeveer 1965, zo populair? Waren het de eenvoudige verhaaltjes of de prachtige illustraties van de hand van Yvonne Perrin (1905-1967) waar jonge kinderen zo dol op waren? Desondanks werden ze na twee jaar niet meer uitgegeven. In de jaren negentig herdrukte Nutrica een serie van acht boekjes en daar bleef het bij. Vermoedelijk heeft dit te maken met het overlijden van Perrin in 1967.

De titels van de boekjes zijn: Timmie het Tijgertje, Wiesje Wollepop, Peters Boerderijtje, De Zangwedstrijd, Het Schoenlappertje, Poppenwasdag, Het Kleine Ezeltje, Dierenavontuur, Aan het Strand, Pollie Poedel, Het Domme Beertje, Het Kleine Hertje, Eendje Kwek, Het Treinreisje, De Wedstrijd en Pluisje de Pony. Er bleek nog een boekje te zijn uitgegeven in een ander formaat, los van de serie: Trippeltje en Trappeltje, twee ondeugende elfjes.

Opvattingen over kinderboeken rond 1960
In hoeverre kunnen we deze boekjes beschouwen als ‘goede’ boekjes die passen binnen de opvatting over kinderliteratuur in Nederland in de periode na 1960? Aan het einde van de negentiende eeuw komt er steeds meer belangstelling voor kinderliteratuur.[4] Welke boeken zijn geschikt voor kinderen? Normen die daarbij gehanteerd kunnen worden, spelen nog nauwelijks een rol. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen stelt een lijst met boeken samen die geschikt zijn voor de oudere jeugd en daar blijft het voorlopig bij. Omstreeks 1900 wordt de belangstelling breder en ontstaat er een discussie over de vraag aan welke eisen kinderboeken moeten voldoen.[5] Onderzoek van lectuurgidsen bevestigt eerdere aanwijzingen dat de pedagogische benadering in deze periode de meeste invloed heeft gehad. Zo blijkt bijvoorbeeld dat Dik Trom, eerder toegejuicht als een vermakelijk en goed geschreven kinderboek, ten slotte op grond van pedagogische overwegingen afgekeurd wordt. Uiteindelijk blijkt er in deze periode een duidelijke kloof te bestaan tussen theorie en praktijk. Op papier werd verlangd dat kinderboeken aan strenge pedagogische normen werden getoetst, in de praktijk stelde men zich veel ruimer op en gunde men de jeugd haar favoriete lectuur.[6]

Met de publicatie van een groot aantal lectuurgidsen tussen 1925 en 1930 eindigde een periode die begonnen was met een discussie over de vraag aan welke eisen kinderboeken moesten voldoen. Er komt, volgens de Vries, een nieuwe generatie aan het woord en ook de benadering van kinderliteratuur verandert op een aantal punten. Het meest opvallend is de toegenomen aandacht voor de literaire voorkeur voor kinderen, als gevolg van het wetenschappelijk onderzoek dat in de jaren twintig in Duitsland op gang gekomen was. Charlotte Buhler had in 1918 het begrip ‘leesfasen’ geïntroduceerd in haar boek: Das Märchen und die Fantasie des Kindes.[7]

In Nederland werd daar niet echt aandacht aan besteedt, wel gaan literaire en emotionele ontwikkelingen van kinderen na 1930 in de beschouwingen over kinderliteratuur een belangrijkere rol spelen. In vergelijking met de vorige periode, waarbij degenen die het kinderboek als een middel in de opvoeding beschouwden, gaf men nu meer aandacht aan de literaire aspecten. Na de Tweede Wereldoorlog verandert de toon van de kinderliteratuur zelf bij de generatie die na de oorlog debuteert.[8] De verhaaltjes van Perrin zijn eenvoudig geschreven en hebben een herkenbaar thema met, zo lijkt het, een boodschap erin verwerkt waar de kinderen iets van kunnen leren. Volgens W.M. Nijkamp, een bekende kleuterpedagoge uit die tijd, beogen beeldschriftboekjes de verstandelijke ontwikkeling te bevorderen, waarbij een goed verhaal altijd aan bepaalde eisen moet voldoen: het moet een inleiding, een hoogtepunt en een bevredigend slot bevatten. En voor de kleuter moet er altijd een happy ending zijn.[9] Zo voldoet het verhaaltje over ‘Wiesje Wollepop’, een verdrietig popje dat wegloopt uit een speelgoedwinkel, aan dit criterium. Zij valt langs de kant van de weg in slaap en wordt gevonden door een klein meisje en na een lang verhaal weer helemaal gelukkig bij haar nieuwe poppenmoedertje![10]

De werkelijkheid in het kinderboek
In kinderboeken komen kinderen voor, volwassenen, dieren, planten en voorwerpen’.[11] De schrijver ontwerpt speciaal voor dat ene verhaal wezentjes en dingen die daarin een rol spelen. Sprookjes en fantasieverhalen benaderen de werkelijkheid het minst. De discussie over de toelaatbaarheid van die niet herkenbare wereld in het kinderboek bestaat al zolang er over het kinderboek is nagedacht.[12] Er is een stroming die vindt dat speciaal voor het jonge kind de realiteit weggehouden moet worden. Een andere stroming daarentegen denkt daar precies andersom over. Zij zeggen juist: neem het kind serieus, laat ze maar lezen over onze gecompliceerde samenleving. Geldt dit ook voor zeer jonge kinderen? Annie M.G. Schmidt formuleerde het zo: ‘Het moet waar zijn en niet gelogen.’[13] Volgens de Engels criticus C.S. Lewis kunnen kinderen de verschillende soorten waarheid onderscheiden: ‘I never expected the real world to be like the fairy tales.’ ‘All stories in which children have adventures and successes which are possible … but almost infinitely improbable, are in more danger than the fairytales of raising false expectations.’[14]

In boeken voor heel jonge kinderen speelt vaker een veilige achtergrond een rol in het verhaal dan voor oudere kinderen. Problemen worden zo lang mogelijk weggehouden. Schrijvers voor kleine kinderen beschrijven duidelijk een voor de kleintjes herkenbare wereld, met vriendelijke illustraties, zoals we ook bij Perrin terugzien. Zo werd Annie M.G. Schmidt er in 1972 op aangesproken dat zij Jip en Janneke ver van de wereld hield, waarop zij reageerde met: ‘Jonge kinderen hebben een immense behoefte aan warmte, veiligheid en bescherming, geruststelling.’ ‘O, zeker, ze willen ook van huis weg, het boze bos in. Eventjes, om weer gauw veilig thuis te komen.’[15] Deze regel geldt voor schrijvers die voor heel kleine kinderen schrijven. Perrin heeft in die zin met haar boekjes daaraan voldaan. Wiesje Wollepop bleef niet eenzaam achter, maar werd liefdevol opgenomen bij een nieuwe poppenmoeder en daarmee werd de harmonie hersteld.

Maartje Lunsingh Scheurleer-Hazenoot


Literatuur

– Beer, F. de, Witte jassen in de school. De schoolarts in Nederland C.A. 1895-1965, Assen, 2008.

– Bakker, N., J. Noordam en M. Rietveld-van Wingerden, Vijf eeuwen opvoeden in Nederland, Assen, 2006.

– Heimeriks, N. en W. van Toorn, De hele Bibelebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de middeleeuwen tot heden, Amsterdam, 1990.

– Nijkamp, W.M., Het boek in kleuterland, Assen, 1976.

– Vries, A. de, Wat heten goede kinderboeken? Opvattingen over kinderliteratuur in Nederland sinds 1880, Amsterdam, 1989.


Noten:

[1] https://kroondop.wimspijker.nl/verzameling/sets-series/nederland/nutricia-kinderboekjes-1963

[2] Bakker, e.a., Vijf eeuwen opvoeden; De Beer, Witte jassen.

[3] Ibidem, 262.

[4] De Vries, A., Wat heten goede kinderboeken? 32.

[5] Ibidem, 41.

[6] Bewerkte tekst uit: De Vries, Wat heten goede kinderboeken? Zie ook: Heimeriks e.a., De hele Bibelebontse berg.

[7] Ibidem, 163.

[8] Ibidem, 163.

[9] Nijkamp, Het boek in kleuterland, 20.

[10] www.kroondop.wimspijker.nl

[11] Heimeriks e.a., De hele bibelebontse berg.

[12] Ibidem, 437.

[13]  Zij sprak deze woorden uit bij het in ontvangst nemen van de Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur in 1965.

[14] Ibidem, 439.

[15] Ibidem, 444.