- Nieuws
- Collectie
- Publicaties
- Werkgroepen
- Jeugd
- Wetenschapsplatform
- KZGW
Terug naar Rederijkers in Zeeland
No. 15. “Twee ruitvormige houten schilden; op het eene een oranjeboom, met de wapens van Zeeland en Arnemuiden (zonder burcht) waaronder: ‘Niet sonder vrucht, 1578’; op het andere MARIA met het kind Jezus, op eene plompe bloem, waarboven: Plomp van verstande 1580.”
No. 20. “Drie zilveren schildjes aan een rood zijden lint, benevens drie zilveren en een koperen kolfje. Op de schildjes staat: ‘Betert u abuus,’ op één bovendien: ‘Die lijt verwint.’
Aldus H. M. Kesteloo1 in 1876 in zijn beschrijving van aanwezige voorwerpen ‘berustende in het gemeentehuis’ van Arnemuiden. Nu 150 jaar later berusten deze voorwerpen daar tot ons genoegen nog steeds. In dit artikel bespreken we de genoemde voorwerpen uit No 20.2 Gertrude van de Ketterij heeft daarmee een begin gemaakt3, maar er valt meer over te zeggen. De vragen die ons bezighouden, zijn: Wat zijn dit voor voorwerpen, wat was hun functie en hoe zijn ze in het bezit gekomen van het voormalige gemeentehuis van Arnemuiden?
Kolven
Koperen miniatuur rederijkers kolven (1600-1700). Foto: Aart van Belzen. Toegang 1902 Stadhuiscollectie Arnemuiden (Zeeuws Archief), nrs. 26 en 27.
De afgebeelde kolven hebben niets te maken met het kolfbalspel dat in de zeventiende eeuw ook beoefend werd. Waarmee dan wel? Ongetwijfeld met de bijeenkomsten van de rederijkers. Op die bijeenkomsten die in de regel op zondagen gedurende de wintermaanden werden gehouden, droegen zij gedichten aan elkaar voor aan de hand van opdrachten. Een dergelijk samenzijn werd een kolve genoemd. De kolfjes zijn zonder meer uniek te noemen. Ze meten 10 centimeter (de drie zilveren) en 11 centimeter (de koperen). De handgrepen zijn gegraveerd en een keurmerk ontbreekt.
De aanwezigheid van het ophangoogje maakt duidelijk dat zo’n kolfje ergens aan opgehangen moest worden. In het algemeen wordt er bij materiële cultuur (gebruikte voorwerpen) een onderscheid gemaakt in drie categorieën4: In de eerste categorie is er sprake van pronkobjecten, bij de tweede gaat het om ceremoniële draagtekens, terwijl er bij de derde sprake is van prijszilver.
Het eerste waaraan je kunt denken, is, dat je een kolfje krijgt uitgereikt als je winnaar bent van de onderlinge wedstrijden tijdens de kolven. Je kunt dan het bewijs dat je een goede dichter bent, opspelden, opknopen of bevestigen aan een ketting op je kleding. De koperen versie is dan voor een confrère die tweede werd. Het was bovendien gebruikelijk om prijzen van zilver uit te reiken.
Een andere mogelijkheid is dat elk lid van de kamer zo’n kolfje droeg tijdens de samenkomsten en eventueel bij optredens naar buiten, zodat iedereen kon zien dat zij lid waren van de kamer, het zogenaamde lidmaatschapsteken. De zilveren zijn dan voor de bestuursleden, de koperen voor gewone leden.
In beide gevallen is er het probleem dat er geen naam van de kamer of van de winnaar gegraveerd is in de objecten. Men zou er immers trots op moeten zijn. Het is daarmee onzeker dat de kolfjes toebehoord hebben aan leden van de rederijkerskamer uit Arnemuiden. Hierna komen ze weer aan bod bij de bespreking hoe ze in de kamer terecht zijn gekomen.
Schildjes
Deze zilveren schildjes zijn nog niet beschreven, maar behoren eveneens tot de stadhuiscollectie van Arnemuiden.
Net als de kolfjes vormen deze drie rederijkersschildjes unica in de materiële cultuur van de rederijkers. Ze lijken een setje te vormen. In tegenstelling tot de kolfjes zijn ze rijk versierd en voorzien van teksten en voorstellingen. Wat verder opvalt, is, dat ze verschillend in grootte zijn. Wat ze gemeen hebben zijn de teksten. Op elk schildje zien we boven in de binnencirkel een banderol met de tekst: ‘Die lyt verwint’. Bij alle drie lezen we in de ronding onderaan tegen de rand: ‘Betert U abuus.’ Dit zijn typische formuleringen van zinspreuken van rederijkers en rederijkerskamers. Ook is er overeenkomst in de versiering: de buitenrand bij alle schildjes bevat een lauwerkrans. De lauwerkransen doen vermoeden dat we met prijsschildjes te maken hebben. Of moeten we de kransen letterlijk nemen en is er iemand gelauwerd? Dus een ereprijs?
De zinspreuken zullen ons zeker helpen om meer aan de weet te komen over de schildjes, maar laten we eerst de afbeeldingen bekijken. Het eerste schildje is het kleinst en het meest eenvoudig. Het middengedeelte biedt niet een echte voorstelling, ziet er zelfs wat kaal uit in vergelijking met de andere twee schildjes.
Het volgende schildje laat ons een figuur zien die een zot of nar moet voorstellen, met erboven de banderol met de tekst Die lyt verwint. Hoewel een typisch narrenhoofddeksel ontbreekt (we zien haar met een knotje), zien we op zijn rechterschouder een gedeelte van een capuchon die doet denken aan een narrenkap. De nar is echter onmiskenbaar te herkennen aan zijn narrenstok met zotskolf erop. Die had hij nodig voor zijn grappen en grollen en de zot voerde uitgebreide gesprekken met zijn marot (zotskop). Het was niet ongebruikelijk om ook voor het optreden van narren een prijs toe te kennen. Zo ontvingen de beste narren op het landjuweel (rederijkerswedstrijd) te Antwerpen in 1561 een zotskolfje van anderhalf ons (Bergen op Zoom) en een aapje ‘in een potteken’ (Zoutleeuw).5
Tot slot de afbeelding op het laatste en grootste schildje. Wat we zien, zijn drie heiligen. Van links naar rechts: de heilige Catharina met als attributen een zwaard en een gebroken rad, de heilige Maria Magdalena met een zalfpot en de heilige Barbara met haar toren en martelpalm. Erboven zien we de Heilige Geest in de vorm van een duif in een stralenkrans. Samen zijn zij de patronessen van de Brugse rederijkerskamer ‘De Weerde Drie Santinnen’. Maar wat doet die duif daar, want ‘De Heilige Geest’ is de benaming van een andere rederijkerskamer in Brugge. De kamer van ‘De Heilige Geest’ (met een duif als symbool) werd gesticht in 1428 en die van ‘De Weerde Drie Santinnen’ in 1474 en ze werden geduchte concurrenten over de vraag wie de hoofdkamer was. In 1494 werd een schikking getroffen en er werd bepaald dat de Drie Santinnen het wapen van de Heilige Geest in elke afbeelding van hun blazoen moesten plaatsen: een duif in een aureool gevat.6 Daarmee is de aanwezigheid van de duif afdoende verklaard. Het spoor van dit laatste schildje leidt in ieder geval naar rederijkerskamer ‘De drie Santinnen’ in Brugge. Tot zover de afbeeldingen.
Wat beduiden de twee spreuken? De zinspreuk bovenin ‘Die lyt verwint’ brengt ons opnieuw in Brugge, want dat is de zinspreuk van ‘De Drie Santinnen’, waarvan de officiële benaming luidt: Keyserlyke Vrye Camere vander Rhetoriycken der “Weerde Drie Santinnen”.7 En nogmaals: deze spreuk staat op elk schildje. Een tweede bewijs dat het schildje te maken heeft met rederijkerskamer ‘De drie Santinnen’uit Brugge.
Ook de zinspreuk onderaan ‘Betert U Abuus’ staat op elk schildje. Is die ook van een rederijkerskamer of van een rederijker? Deze spreuk lijkt veel op de eveneens bestaande zinspreuk ‘Let op U Abuys’. Dit devies schijnt toebehoort te hebben aan Jacques of Jacob Labus.8 Over hem is wel het een en ander bekend. Allereerst was hij in Brugge lid van ‘De Heilige Geest’ en zelfs geen onbelangrijk lid, hij was factor (schrijver van de toneelwerken) en zat tussen 1640 en 1650 in het bestuur van de kamer. Hij overleed in 1657. Een belangrijke vraag is: zijn de spreuken ‘Betert U Abuus’ van de schildjes en ‘Let op U Abuys’, beide gebruikt door Jacob Labus? Zo ja, dan moeten de schildjes zelfs gekoppeld worden aan twee kamers: De Heilige Geest en De drie Santinnen. Of misschien alleen aan de stad Brugge. Misschien verschaft het gebruik van deze zinspreuk(en) al dan niet door Jacob Labus duidelijkheid.
De zinspreuken
1613 Haarlem
De zinspreuk ‘Betert u Abuys’ komen we tegen in Der Reden-rijcken Springh-Ader uit 1614 met de resultaten van de refreinwedstrijd uit 1613 in Haarlem, die een initiatief was van de rederijkerskamer ‘De Wijngaertrancken’. De spreuk is tweemaal gebruikt door een ‘Brugge particulier’, eenmaal onder een refrein en eenmaal onder een lied. In beide gevallen stond bij het gedicht ook de zinspreuk van de kamer ‘Mijn werck is heymlick’, wat het devies is van de Brugse rederijkerskamer ‘De Heilighe Geest’. De spreuk ‘Betert u Abuys’ is dus verbonden met Brugge en met de kamer ‘De Heilige Gheest’. Het was gebruikelijk om gedichten in te leveren met alleen de persoonlijke zinspreuk eronder zonder de naam van de dichter te vermelden.
1613 Leiden
Op 6 oktober was er in 1613 weer een wedstrijd, deze keer in Leiden. Ook hieraan deed ‘De Heilighe Gheest’ uit Brugge mee. De zinspreuk die onder de gedichten staat, is ‘T’dient ghebetert’ en laten we verder buiten beschouwing.
1620 Mechelen
Op 3 mei 1620 was er in Mechelen een refreinfestijn dat een jaar later resulteerde in een uitgave met refreinen, liederen en blazoenen. Ook de kamer ‘De Heilighe Geest’ uit Brugge was een van de deelnemers. De inzending op pagina 249 van een refrein en een liedje gaat vergezeld van de zinspreuk ‘Let op v Abvvs’, mogelijk een aanpassing van ‘Betert u Abuus’, maar zeker is dat niet.
1631 Pamflet Een spottelijck | Liedeken
Het gaat hier om spotliederen met hun wederlegging. 9 Een van de twee teksten in dit pamflet was van Jacob Labus met de welluidende titel: Een niev Liedeken | inhoudende | Den Tocht | die den Prince van Orangien | ghedaen heeft in Vlaenderen | ende hoe hij ontrent de Stadt | Brugghe quam ligghen | mitsgaders hoe hij van de selve heeft moeten | wijcken | ende met kleyn’eere wederom vertrecken | ende watter noch | meer ghedenck-weerdichs te deser oorsake gheschiet is. (Op de wijse van Breda | Oft: Sint Iob wilt mij in den noodt by staen &c.). De verschillende episoden van deze tocht die mislukte, worden grappig weergegeven.
De reactie op dit pamflet luidde: Een Wederklanck / Teghen den Iauw van M.I. Schilder: / Ende over een Nieuw Liedeken van / Jaques Labus, Koper-slagher binnen Brugghe. / Inhoudende / Den Tocht des Prins van Orangien. / Op de wijse: Betteken voer na Mariemont.
1653 ‘De Spraecken’ tijdens de Heilig-Bloedprocessie
De Spraken zijn teksten die werden voorgelezen tijdens de processie in Brugge van het Heilig Bloed elk jaar gehouden op 3 mei. In 1653 werden ze geschreven door J. Labus en ondertekend met de zinspreuk ‘Let op u Abuys’.
Het zilverwerk
De schildjes zijn rond ajour gravé, dat wil zeggen: opengewerkt en gegraveerd. Het meesterteken is van de maker Boom. De schildjes zijn nog niet beschreven dus het keurmerk is nog niet definitief geïdentificeerd. Vaststaat dat er gezocht moet worden in de eerste decennia van de zeventiende eeuw. Het is niet gelukt om een mogelijke kandidaat te traceren voor het keurmerk ‘Boom’.
Overigens hechtten rederijkers veel belang aan metalen voorwerpen, meestal van zilver of van tin. Het is bekend dat veel bestuurders dit soort voorwerpen als schenking doneerden aan rederijkerskamer ‘De Heilige Geest.’10 Zo zou Jacob Labus deze serie als cadeau voor de kamer bedoeld kunnen hebben. Hij was proost in 1640, wat niet correspondeert met zijn (toenmalige) lijfspreuk ‘Let op u Abuys’ uit die jaren in plaats van het devies ‘Betert u Abuys’ op de schildjes. Een andere kwestie is de aanwezigheid van de spreuk van de drie Santinnen. Een verklaring daarvoor kan zijn dat Labus lid was van beide kamers, hetgeen niet ongebruikelijk was. Duidelijkheid hebben we echter nog steeds niet.
Gemeentehuis Arnemuiden
Hoe geraakten de besproken voorwerpen in het gemeentehuis van Arnemuiden? Een eerste aanduiding hierover vinden we in de notulen van het stadsbestuur op vrijdag 25 maart 1644. Daar staat de volgende interessante vermelding: “Opt vertooch van Salomon de Backer, schepen datte Camer van Rhetorica het affgenomen tin mocht werden gerestitueert offe de stadt soude betalen de pretensien van Dirk Janssen, ter oorsaecke vande Camerhuyr vande selve Confrerie, Is goetgevonden de selve schult naer ondersoeck te betalen, onder conditie datte voornoemde de Backer belooft naer sijn dood alhier te doen furneren de reliquien vant selve Gilde te weten drie silvere kolffjes, een copere kolffjen, drie silvere schildetjes aen een root sijde lint boven de twee ammelakens [tafellakens] voor desen overgegeven alsmede bezittende noch onder Gerrit van Dortt de historie van Josephus.” En de volgende alinea gaat verder over het zilverwerk: “Bij occasie van het tin, is geresolveert datmen stadts-tin aen niemant vremdts sal uutlenen ende an die van Burgemeesters ende Raad; niet anders als met kennis van Baillieu, Burgemeesters ende Tresorier.”11 Uit de toegevoegde alinea blijkt dat deze voorwerpen eigendom zijn van de stad.
Wat besluit het stadsbestuur hier? Het eerder door de overheid in beslag genomen tin van de kamer mag worden teruggegeven. Hiermee worden ongetwijfeld de kolfjes en de schildjes bedoeld. Waarom en wanneer ze in beslag zijn genomen wordt niet vermeld, maar ze waren in ieder geval al aanwezig in Arnemuiden voor het jaar 1644 en in het bezit van de kamer. Een tweede besluit van het stadsbestuur is de instemming om de huur van ruimte die de rederijkers gebruikten, te betalen aan de verhuurder Dirk Jansen. Een en ander werd toegezegd na een pleidooi van Salomon de Backer, ongetwijfeld een lid van de rederijkerskamer ‘De Plompkens’ in Arnemuiden. De stad stelde er wel een eis tegenover: de relikwieën, te weten de kolfjes en de schildjes moesten na de dood van Salomon de Backer weer worden overgedragen aan de stad.
Het doet vreemd aan om eigendommen van het gilde te koppelen aan het leven van (vermoedelijk) een lid van de kamer. Wie was deze man? Salomon de Backer wordt in 1613 lidmaat in Arnemuiden. Hij arriveert als jongeman, dus ongehuwd, met belijdenis en zijn beroep is schoenmaker. In 1617 is hij getuige bij een doop en in 1641 en 1642 treedt hij op als tresorier (ontvanger) van de stad en maakt als zodanig dus deel uit van de bestuurselite. Via Salomon de Backer komen de kolfjes en schildjes uiteindelijk terecht in het gemeentehuis. Hoe hij eraan is gekomen blijft vooralsnog in nevelen gehuld.
De onder Gerrit van Dordt berustende Historie van Josephus is De Geschiedenis van de Joodse oorlog ca. het jaar 75 waarin de Joodse opstand tegen de Romeinse bezetting beschreven wordt door Flavius Josephus. Gerrit van Dordt was de venduemeester van Arnemuiden en had het boek vermoedelijk te leen. Waarschijnlijk was hij ook rederijker.
Besluit
Van zowel de kolven als de schildjes kan worden vastgesteld dat zij rond 1640 al in Arnemuiden aanwezig waren. Over de herkomst van de kolfjes of de makers ervan valt niets vast te stellen. Het oogje aan de steel maakt duidelijk dat het de bedoeling is om ze vast te spelden en op je kleding te dragen. De precieze functie is echter onbekend.
Van de schildjes staat vast dat ze met Brugge te maken hebben en met de rederijkerskamers ‘De heilighe Geest’ en de ‘De drie Santinnen’. Dat blijkt uit de zinspreuken en de afbeelding op het grootste schildje. De functie van de schildjes blijft onduidelijk.
De zinspreuk ‘Betert u Abuus’ is gebruikt bij een refreinfeest in 1613 te Haarlem. Het is niet gelukt om vast te stellen bij wie deze spreuk hoort. Een devies dat er veel op lijkt, is ‘Let op u Abuys’ en werd met zekerheid gehanteerd door Jacob Labus, een Bruggeling waarvan vaststaat dat hij gedurende een groot aantal jaren lid was van ‘De heilighe Geest’. Er is geen bewijs dat Labus eerder het de spreuk ‘Betert u Abuus’ gebruikte.
Al met al blijven de vragen rond de functie en de herkomst dus onbeantwoord.
Zeeuws Archief (ZA), inv.nr. 33 Conceptresoluties van het bestuur van Arnemuiden, 25 juli 1643 – 31 augustus 1644.
Der Reden-rijcken Springh-Ader / Vervaet in verscheyden Andtwoorden / op de uytgegeven Caerte der Wijngaertrancxkens, onder ’twoort Liefd’ boven al, Binnen de loffelijcke Stadt Haerlem / Anno 1613 enz., door Pieter Arentz. Boeckvercooper aen’t Marct-velt / inden Ghereformeerden Bybel / Anno 1614. Tot Haerlem.
Const-Riick Beroep Ofte Antwoordt / op de Kaerte uyt-gesonden by de Hollantsche camer binnen Leyden, onder t’woort ‘Liefd Es t’Fondament’, aen alle nabuerighe Reden-rijcke vrye cameren in Nederlant / tegens den 6. Octob. Anno 1613, enz. Door Jacob Janszoon Paets, woonende in de Sonneveltsteegh, Anno 1614.
De Schadt-kiste der philosophen ende poeten waer inne te vinden zyn veel schoone leerlycke blasoenen, refereynen ende liedekens, enz. Gedruckt tot Mechelen by Hendrick Iaye. Ao. 1621.
Pamflet: Een spottelijck | Liedeken ende Iauw, | op den Tocht des Prins in | Vlaenderen | bij de Liefhebbers van | Broer Cornelis tot Brugghe uytghêgheven | ende ons overghesonden. | Met een | Werderklanck ende Foey-Iauw | daer teghen. | Ghedruct int Iaer ons Heeren, 1631. Universiteitsbibliotheek Leiden, Collectie Thysius, THYSPF 3671.
Labus, J., Spraecke van den Pellicaen in den Omme-gangh van Brugghe. Den 3. Van Meye 1653. Brugge. Ondertekend met: Let op u Abvys.
Reuse-Spraecke van den Brvghscen omme-gangh Op den 3. Mey 1653.
Inleiding: Ondertekend met: Let op u Abvys.
Fortuyne-Spraecke van den Brughschen Ommegangh op Heylich-Bloedt-Dagh, Den derden van Meye 1653. Ondertekend met: Let op u Abvys.
Coigneau, Dirk e.a., Uyt Ionsten Versaemt. Het Landjuweel van 1561 te Antwerpen. Brussel 1994.
Geirnaert, Dirk, ‘De kamers van rhetorica te Brugge. Een blik op 400 jaar Brugse rederijkersactiviteit’; in: Biekorf, jrg. 95 (1995), 234-250.
Kesteloo, H. M., Geschiedenis en Plaatsbeschrijving van Arnemuiden, Middelburg 1876.
Ketterij, Gertrude van de, ‘De rederijkerscultuur in Arnemuiden’; in: Arneklanken, deel I en II in 2021, deel III in 2022.
Sabbe, M, ‘Brugsche Liederen over den Veldtocht van Frederik Hendrik in Vlaanderen (1631), in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1931, 1007-1017.
Vanhoutte, Petra van, “Mijn werck es hemelick”. De rederijkerskamer van De Heilige Geest te Brugge (1616-1700), Gent 2003 (licentiaat).
Afbeelding kolven: Stadhuiscollectie Arnemuiden, klik in de catalogus op ‘Zilver’.
Artikelen van Gertrude van de Ketterij: https://uu.academia.edu/GertrudeVandeKetterij
Het internationaal verbond van kamers van Rhetorica: https://www.rederijkers.org/
Museum Arnemuiden: https://bezoekmuseumarnemuiden.nl/
Rederijkers van Arnemuiden: https://kzgw.z2d.nl/wetenschappelijke-artikelen/arnemuiden/
1 Kesteloo 1876, Bijlage B, 145, 147. Het voormalige gemeentehuis is heden ten dage het Museum Arnemuiden.
2 De houten schilden, de blazoenen uit No 15 zijn te zien en worden beschreven op: https://kzgw.z2d.nl/wetenschappelijke-artikelen/arnemuiden/.
3 Van de Ketterij 2023.
4 Vanhoutte 2003, 161-164.
5 Coigneau 1994, 40.
6 Vanhoutte 2003, 43.
8 Van de Ketterij 2003.
9 Universiteitsbibliotheek Leiden, Collectie Thysius, THYSPF 3671 (niet online). Het is onduidelijk of woord en wederwoord samengebonden zijn. Van het wederwoord is geen exemplaar gevonden.
10 Vanhoutte 2003, 161.
11 ZA 33, 25 maart 1644, ongefolieerd. Kesteloo 1876, 133.